woensdag 16 oktober 2013

CDS: defensie-uitgaven dalen naar 1% bbp

Lezing van de Commandant der Strijdkrachten, Generaal T.A. Middendorp, ter gelegenheid van de bijeenkomst van de Studenten Organisatie Groningen op 15 oktober 2013, te Groningen.



Tekst
Niet zo heel lang geleden was ik bij de moeder van Azdin Chadli op bezoek. Misschien zegt de naam jullie iets.

Sld 1 Azdin Chadli
Azdin Chadli is een soldaat die in 2009 in Uruzgan sneuvelde omdat een raket op ons kamp insloeg. Ik was toen commandant in Uruzgan. En ik zag het voor mijn ogen gebeuren. Ik kwam net de hoek omlopen en zag het inkomende vuur. Ik hoorde een enorme knal en de aarde schudde. Zelf had ik niets, maar ik zag wel direct de gewonden. De raket was ingeslagen op wat wij de ‘natte groep’ noemen, de douchecontainers.

Op dat moment stond iemand daar te douchen maar de raket ging door de container heen en kwam terecht op het gangpad ernaast. Daar stond een groep jongens. Ze werden vol getroffen. Een aantal van hen raakte gewond. Azdin Chadli sneuvelde. Hij was toen twintig jaar oud. Waarom vertel ik jullie dit?

Azdin Chadli was een jongen die opkwam voor anderen. Hij was een jongen die zich in wilde zetten voor vrede en veiligheid. Hij ging omdat de politiek de krijgsmacht de opdracht gaf, om te gaan. Azdin Chadli, was militair. En militair zijn, is iets bijzonders. Militairen zijn de zwaardmacht van de overheid. Wij zijn de basisverzekering van de maatschappij.

Wij zijn één van de weinige diensten die je niet kan uitbesteden. Want gelukkig is het in ons land zo geregeld dat niet iedereen met een geweer mag rondlopen, of in een bewapende F‐16 mag vliegen. De krijgsmacht, en alleen de krijgsmacht, mag in ons land zware wapens ter hand nemen en geweld toepassen.

Onze opdracht is ook heel helder vastgelegd in de Nederlandse Grondwet: Verdedig het Nederlands grondgebied, onze Nederlandse belangen en het grondgebied van onze bondgenoten. Draag bij aan de internationale rechtsorde en aan stabiliteit. En help politie, brandweer en steden, in Nederland en daarbuiten, als de nood aan de man is.

Deze opdracht vereist dat de militair een teamspeler is die het algemeen belang van een missie boven het eigenbelang stelt. Deze opdracht vereist ook dat militairen blindelings op elkaar moeten kunnen vertrouwen, want als de ‘going gets tough’ kan dat tot het verlies van mensenlevens leiden.

Voor sommigen van jullie klinkt dit misschien wat dramatisch en vergezocht. Maar dit is wel de militaire werkelijkheid. Dat mag niet onderschat worden. Zeker nu we zien dat de krijgsmacht meer dan ooit wordt ingezet voor een veelheid aan missies. Missies die allemaal onvoorspelbaar zijn, omdat de wereld om ons heen, onvoorspelbaar is.

Ik wil jullie een filmpje laten zien om dat te illustreren. [Animatiefilmpje ‐ “Don’t stop thinking about tomorrow” ‐ Strategische Verkenningen] Dit filmpje hoort bij de Strategische Verkenningen, een onderzoek uitgevoerd door de Nederlandse regering in 2010. Sommige ontwikkelingen zijn daarom achterhaald. Zo zijn we nu niet meer de 16e economie ter wereld, maar de 17e, en Osama Bin Laden is uitgeschakeld. Toch is het filmpje nog wel actueel.

We leven in een wereld waarin dreigingen niet gebonden zijn aan grenzen. In deze wereld kunnen hackers in het buitenland, door middel van een cyberaanval, ons elektriciteitsnetwerk platleggen. Dat betekent: Geen treinen, geen verlichting, geen telefoons, geen verkeerslichten, geen alarmsystemen.

Op straat geldt dan, in het ergste geval, het recht van de sterkste. In deze wereld kan ook een groot schip, met vloeibaar gas aan boord, gekaapt worden door terroristen. Het vaart dan misschien in hoog tempo richting de Rotterdamse haven. Als het tot een ontploffing komt, staan vele mensenlevens op het spel.

En in deze gemondialiseerde wereld, kunnen piraten voor de kust van Somalië, onze economie direct raken. Zij kapen onze handelsschepen die goederen vervoeren waar wij van afhankelijk zijn. Zoals voedsel, kleding en brandstof. Ze kapen ook schepen die spullen vervoeren die wij graag betaalbaar houden: zoals televisies, mobiele telefoons en computers. Dat betekent dat het leven voor ons hier stukken duurder wordt als we piraterij ver weg op zee, niet indammen.

Los nog van het menselijk leed dat wordt aangericht als opvarenden gegijzeld worden. In Nederland houden we de internationale ontwikkelingen daarom goed in de gaten. Dat moet wel. We zijn misschien een klein landje op die hele grote wereldkaart, maar we zijn wel een welvarend handelsland. Een land van exporteurs, investeerders en ondernemers.

Onze belangen liggen daarom een groot deel in het buitenland. Joseph Luns, diplomaat en minister van Buitenlandse Zaken, zei niet voor niets: “Het voordeel van een klein land is dat het relatief veel buitenland heeft”. In het buitenland verdienen we ons geld! Daarom staan we negende op de welvaartslijst. Daarom zijn we de 17e economie van de wereld, en de 8e exporteur ter wereld. Dat zijn hoge posities.

Maar als je zo hoog op de lijsten staat, en je profiteert van wat er in de wereld gebeurt, moet je ook je verantwoordelijkheid nemen. 3 Zo kijken andere landen ook naar ons. Zij vinden dat je dan moet bijdragen om problemen in de wereld op te lossen.

Maar hoe doe je dat? Hoe beschermen we onze belangen? Hoe handhaven we de internationale rechtsorde? Nederland kan natuurlijk diplomatieke en economische middelen inzetten. Maar soms is dat niet voldoende. Dan moet je als land je woorden kracht bij zetten, een stok achter de deur hebben.

Zoals president Roosevelt al zei: “Speak softly and carry a big stick…, you will go far”. Een land kon volgens Roosevelt alleen diplomatiek succesvol zijn als het ook over militaire macht beschikt, de ‘big stick’. Want dan heb je altijd nog een troef achter de hand voor het geval het mis gaat. En vriend en vijand weten dat…

Wij, de krijgsmacht, zijn die troef voor ons land, wij zijn die stok achter de deur. De krijgsmacht kan onze handelsroutes en onze koopvaardij beschermen. De krijgsmacht kan bijdragen aan stabiliteit in instabiele regio’s. En de krijgsmacht kan andere landen helpen om hun politie‐ en veiligheidsdiensten op te bouwen. Zodat de bewoners van dat land bescherming krijgen, en zelf een toekomst op kunnen bouwen.

‘Wanneer’ we op missie gaan en ‘waar’, daar beslist de krijgsmacht niet over. Dat is aan de politiek. Maar ik adviseer onze minister wel, en waar nodig het hele kabinet. Iedere ochtend om tien uur ’s ochtends praat ik onze minister bij.

Ook op internationaal niveau wordt veel overleg gevoerd. Zo ga ik minimaal drie keer per jaar naar het NAVO‐hoofdkwartier in Brussel. Daar komen alle 28 NAVO‐defensiebazen, of hun afgevaardigden, bijeen. We discussiëren, overleggen en handelen naar aanleiding van militair belangrijke zaken. Alle huidige missies lopen we af.

Ook internationale samenwerking staat op onze agenda. Dat is absoluut een gebied waar we verdere stappen in kunnen én moeten maken. Zeker nu in veel landen wordt bezuinigd op de krijgsmacht. Wij kunnen geen missies uitvoeren zonder partners.

Voor specifieke capaciteiten zijn we van elkaar afhankelijk. Nederland heeft geen satellieten, Nederland heeft geen tanks, Nederland heeft geen patrouillevliegtuigen. Maar Nederland heeft wel raketverdedigingssystemen, dat zijn de Patriots die nu in Turkije aan de grens van Syrië staan.

Per missie wordt er dan ook gekeken naar wie wat kan leveren. Een belangrijk aspect hierbij is de evenredigheid van de militaire bijdrage. Het moet voor alle betrokken partijen aantrekkelijk zijn om samen te werken. We kunnen niet zeggen: Nederland doet dit of dat niet meer, en rekent daarvoor dan op Europa via internationale samenwerking.

Het is niet alleen maar nemen, maar ook geven. In het NAVO‐hoofdkwartier kijken we daarom naar: “Hoe kunnen we nog beter samenwerken?”… …“Hoe kunnen we taken en capaciteiten verdelen?” “Hoe kunnen we onze eigen landen en het NAVO‐grondgebied blijven beschermen?” Wat in Brussel besproken wordt, wordt ook weer in eigen land teruggekoppeld.

Dat doen we bijvoorbeeld tijdens de wekelijkse bijeenkomst van de Stuurgroep Militaire Operaties. Hoge ambtenaren van Defensie, Buitenlandse Zaken, Algemene Zaken, Veiligheid en Justitie en Ontwikkelingssamenwerking komen dan bijeen, en bespreken de actuele crisis in de wereld. De ene week bespreken we dat bij Defensie, de andere week bij Buitenlandse Zaken. Zo is niemand de baas.

Samen kijken we naar actuele dreigingen en gaan na: ‘Wat staat er op het spel voor Nederland?’ ‘Hoe moeten we reageren?’ ‘Wat voor rol kunnen we spelen?’ Omdat we dit wekelijks doen, waarborgen we dat we geïntegreerd naar problemen blijven kijken. Als de regering meent dat het een nationaal belang is om internationaal op te treden komen militairen in actie.

Ik wil jullie graag een kort filmpje laten zien waarin onze grondwettelijke taken aan bod komen, om meteen enkele missies te tonen.

Ook krijgen jullie zo een korte impressie van wat wij doen aan de veiligheid in eigen land. Want eenderde van mijn mensen houdt zich bezig met nationale taken! Dat weten niet veel mensen. Jullie zagen onze politie‐trainingsmissie in Kunduz net voorbijkomen. Deze is inmiddels ten einde. En ik kan jullie vertellen, het was geen eenvoudige missie.

Missies zijn lastige politieke besluiten, maar eenmaal genomen is het wel van belang achter de mensen te staan die de missie uitvoeren. Bovendien is het belangrijk het waarom van de missie voor ogen te houden: Afghanistan mag nooit meer een broeinest van terrorisme worden zoals het was voor 2001.

We hebben zeker niet alles opgelost, maar we hebben de Afghanen een kickstart gegeven een goede kans om niet terug te vallen in chaos en onderdrukking. De Afghaanse mensen hebben geproefd van democratie, van scholing en van ontwikkeling. Deze mensen willen niet terug naar het verleden, ze willen vooruit!

Neem Afghanistan 1400, één van de meest actieve politieke jongerengroeperingen van het land. Honderden Afghaanse jongeren met verschillende etniciteit hebben zich in deze groep verenigd. Zij willen dat meer jongeren deel gaan nemen aan de politieke, sociale en economische ontwikkeling van Afghanistan. Hun motto? `Ons land, onze verantwoordelijkheid!´. Dat stemt mij hoopvol.

Natuurlijk is er nog een lange weg te gaan. Veiligheid en ontwikkeling realiseer je niet in een paar jaar. Daarom laten we Afghanistan ook niet in de steek. Zowel in Afghanistan als elders in de wereld waar het niet veilig en stabiel is, blijven wij ons inzetten voor vrede en veiligheid.

Zo zijn onze militairen op dit moment actief op zeventien plaatsen in de wereld. Van de Golf van Aden tot Kosovo, en van Bahrein tot Burundi. Dit zijn niet alleen vechtmissies. Integendeel. Het zijn ook stabilisatiemissies en preventiemissies. Waarbij we andere landen lokaal helpen op eigen benen te staan. Want met alleen militaire kracht neem je niet zomaar de voedingsbodem weg voor conflicten.

Daarom hanteren we bij ons buitenlands beleid een geïntegreerde benadering van veiligheidsproblemen, de Comprehensive Approach. Daarin komt ook de zogenoemde 3D‐benadering aan bod. Hierin staan Diplomatie, Defensie en wederopbouw (Development) centraal. Jullie hebben er vast over gehoord of gelezen.

De 3D‐benadering vereist dat je dieper doordenkt over vragen als: “Waarom krijgt de Taliban voet aan de grond in een Afghaanse regio?” “Wat zijn de oorzaken van de spanningen”. “Hoe lopen de lijntjes in dit dorp, wat zijn de familierelaties, wie heeft de informele macht?” Het is goed om zulke vragen te stellen en de antwoorden te hebben voordat je ingrijpt.

Ik zal jullie een voorbeeld geven. Onze militairen hebben zich in 2007 ingezet in Chora, een district in Afghanistan. Daar hebben we heel intensief gevochten. Het was voor Nederland de grootste gevechtsoperatie sinds decennia. De gevechten hebben we gewonnen.

Maar het winnen van de slag bood geen garantie voor het veiliger maken van het gebied. Het probleem werd pas opgelost toen we achter de dieperliggende oorzaak van de spanningen kwamen: water. De verdeling van schaars water was de bron van vele lokale spanningen. En het bood de Taliban de gelegenheid voet aan de grond te krijgen. Een speciaal team van militairen en deskundigen van Buitenlandse Zaken bemiddelen daarom in een oplossing. Waterputten werden geslagen en het water werd verdeeld zodat iedereen tevreden was.

Anderhalf jaar later kon ik, met minimale bescherming, samen met onze huidige koning door de hoofdstraat van Chora wandelen. Zo stabiel was de situatie daar geworden! Militairen moeten dus vechten en winnen waar nodig. Maar het gaat vooral om het creëren van situaties die toekomst hebben. Winnen zonder strijd als het kan. Dáár draait het om.

De Chinese filosoof Sun Tzu schreef het 2500 jaar geleden al. Zijn boek The Art of War, de kunst van het oorlogvoeren, heeft mij altijd geïntrigeerd en ik kan het jullie allemaal aanraden. Dit boek laat zien dat ons werk om meer gaat dan het uitvoeren van handboeken en doctrines. Maar ik wil het niet mooier maken dan het is.

Het militaire vak is geen walk in the park. Mijn militairen kunnen allemaal voor duivelse dilemma´s komen te staan. Want het is niet altijd een keuze tussen goed of fout. En het effect van de keuze die je als militair maakt, is niet altijd voorspelbaar. Militairen hebben ook niet altijd de tijd om daar langdurig over na te denken. En soms moeten zij kiezen tussen kwaad of erger.

In zo’n geval moet je op jezelf willen én kunnen vertrouwen. Dicht bij jezelf blijven om een goede beslissing te nemen. En durven te vertrouwen op het ethische kompas dat je tijdens de militaire opleiding hebt ontwikkeld. Neem onze militairen van de marechaussee, die in Zuid‐Soedan voor een VN‐missie assisteren bij het ontwikkelen van een eigen goed werkende politie. Deze militairen hebben de opdracht zich niet te bemoeien met lokale aangelegenheden.

Maar op een dag kwam een vrouwelijke opperwachtmeester bij de politiepost. Zij trof in een cel mannen en vrouwen aan, waaronder een moeder met een pasgeboren kind. In dezelfde cel zat ook de vermoedelijke verkrachter van de moeder. In Soedan was het namelijk gebruikelijk om het bewijs van één zaak bij elkaar te houden, dus mensen die bij één zaak betrokken zijn worden in dezelfde cel gezet.

Maar de moeder was opgesloten zonder procedure, en zonder juridische bijstand. Ook was er geen deken, geen muskietennet en geen eten voor de baby. Daar werd niet in voorzien, want in Soedan is het gebruikelijk dat de familie daar voor zorgt. Maar wat doe je als de familie op twee dagen loopafstand woont? In dit geval kwam de familie daarom niet opdagen. Het raakte de opperwachtmeester van de marechaussee.

Dit is wat zij zei, en ik citeer nu uit het interview dat zij had met Michelle Schut die momenteel op dit onderwerp promoveert: “Van binnen kook je, maar van buiten reageer ik heel neutraal”. “Daar heb ik wel slapeloze nachten van.” “Je denkt verdorie, dat kan toch niet.”

De militair wist dat als zij actie ondernam dit op gespannen voet zou staan met de militaire opdracht en met haar mandaat. Zij mocht zich niet bemoeien met de lokale aangelegenheden. Maar moet je dan als mens lijdzaam toekijken? Het zijn keuzes waar iedere militair voor kan komen te staan.

En als dat gebeurt moet je zelf een afweging kunnen maken. Je moet op jezelf willen, en kunnen vertrouwen. Dicht bij jezelf blijven om een goede beslissing te maken. De opperwachtmeester besloot om de dialoog met de Soedanese politie aan te gaan. Ze vroeg hoe het kan dat mannen en vrouwen in één cel zitten.

Ook probeerde ze het terug te koppelen naar hun eigen cultuur. “Jullie zijn moslim, jullie bidden toch ook apart?”, vroeg ze hen. “Waarom dan wel mannen en vrouwen in één cel zetten?”. Tot slot klopte de militair nog aan bij de Verenigde Naties. Een juridisch adviseur van de VN heeft er toen werk van gemaakt. Uiteindelijk werd de Soedanese vrouw vrijgelaten.

Twee jaar later kwam de opperwachtmeester nog eens terug bij de politiepost tijdens haar tweede uitzending. Enthousiast werd ze door de Soedanezen meegenomen. Ze lieten haar zien dat ze cellen erbij hadden gebouwd. Er was nu een aparte cel voor mannen, vrouwen, kinderen én beesten. Zo kan het dus ook.

En hieruit blijkt dat een situatie soms niet vastligt in voorschriften, in handboeken of eerdere ervaringen. In dat geval moet een militair vertrouwen op het morele besef. Wat voelt goed? Wat vind ik op dat moment het belangrijkste? En wat kan ik verantwoorden?

De opperwachtmeester vertrouwde op haar morele besef. Zij bleef dicht bij zichzelf en handelde naar eer en geweten. Maar zij bleef ook het lokale perspectief en haar mandaat voor ogen houden. Jullie horen het al, er komt veel kijken bij ‘militair zijn’.

We stellen daarom ook hoge eisen aan onze militaire leiders. Ik heb officieren, nodig die zowel leider, krijger als diplomaat kunnen zijn. Ik heb officieren nodig met creatief vermogen, academische denkniveau, ‘cultural awareness’, sociale vaardigheden en het bestuurlijk en operationeel lef om de huidige complexiteit aan te kunnen.

Een jonge luitenant van 23 jaar oud moet leiding kunnen geven aan een peloton van 40 korporaals en soldaten. En hij of zij moet tegelijkertijd de lokale complexiteit begrijpen en daarmee om kunnen gaan, snel kunnen schakelen, ook in de meest gevaarlijke omstandigheden en zich realiseren dat alles wat je doet, onder een vergrootglas kan komen te liggen.

Ik zal een voorbeeld geven. In Afghanistan hebben we een keer een huis doorzocht met een hond die drugs of explosieven op kan sporen. Eén van de Afghanen in het huis dacht dat de hond aan de Koran had gesnuffeld. Het leidde tot heftige emoties. Binnen een paar uur belde president Karzai naar de gouverneur van de provincie en vroeg: “Wat is er in Uruzgan aan de hand?”.

Het had weinig gescheeld of het had de internationale pers gehaald. Zo zie je maar, hoe een ogenschijnlijk klein incident een hele missie op zijn kop kan zetten. Daar moet je als militair leider op voorbereid zijn. En daar moet je mee om kunnen gaan. En nu werken onze jongens en meiden ook nog eens voor een organisatie waar ingrijpende maatregelen worden genomen.

Er is in 2011 een miljard bezuinigd op Defensie. En ook nu gaan we voor een kleine 350 miljoen ombuigen. In 2009 werd nog 8.6 miljard euro aan Defensie uitgegeven. Dit jaar kwam dat bedrag uit op 7.2 miljard. Dat zien jullie ook op de afbeelding achter mij. Dat kleine koffertje rechts is Defensie.. Maar je kunt niet blijven kaasschaven, wat we nu al 22 jaar hebben gedaan.

Ik heb de minister de strategische keuzes voorgelegd. Dat betekent dat we minder missies kunnen doen, en die ook minder lang kunnen volhouden. Maar ik heb geen keuzes gemaakt in het soort conflict waarvoor je de krijgsmacht kunt inzetten. En dat eenvoudigweg omdat we niet weten welke conflicten de belangen van Nederland zullen schaden, of waar de belangen van Nederland gediend worden.

De dreiging is breed, zoals ik al eerder zei, en als krijgsmacht moeten we overal op voorbereid zijn. Daarnaast doe ik geen concessies aan kwaliteit. Ik stuur mensen naar crisisgebieden. En ik accepteer niet dat hun leven gevaar loopt, omdat wij hebben beknibbeld op training, materieel en middelen.

Wat we doen, moeten we goed kunnen doen. Dat betekent uiteindelijk dat de krijgsmacht nog maar één grote missie kan uitvoeren op zee, op land en in de lucht – naast onze wettelijke taken.

Als Nederlandse samenleving betalen we straks slechts één procent, van wat we allemaal verdienen, aan Defensie. Eén procent wordt uitgegeven aan de veiligheidspolis van ons land. Tegen de beeldvorming dat wij zo duur zijn heb ik me altijd verzet. Veiligheid en vrijheid zijn niet gratis. Dat mogen we niet vergeten.

(ministerie van Defensie, 16 oktober 2013)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen